Giuseppe Verdi

I Lombardi alla prima crociata

Operatekst Nederlandse vertaling.

De Lombarden op de eerste kruistocht

  • 1e bedrijf
  • 2e bedrijf
  • 3e bedrijf
  • 4e bedrijf

  • De aanduiding: • (punt) met titel, verwijst naar de betreffende nummers van de dubbel c.d. van de Opera I Lombardi uitgebracht door Philips onder nr. 422.420-2.


    1e bedrijf: De wraak


    1e tafereel:
    • CD I. 1. Preludio e introduzione:"Oh nobile esempio!"

    Het plein voor de San Ambrogio in Milaan.
    In de kerk weerklinkt feestelijke muziek.

    Burgers: Oh, wat een edel voorbeeld! Heb je het gezien? Ieders gezicht straalde van innige vreugde. In de onrustige ogen van Pagano zag men echter nog de sporen van de langdurige verschrikkingen. In zijn afschrikwekkende en sombere blikken zag men nog de weerspiegelingen van de hevige storm in zijn hart, ja; het kan, al gebeurt het vrijwel nooit dat de razernij van de wolf verandert in de onschuld van een lam, ja.
    Vrouwen: uit de kerk komend.
    Waarom hoort men op dit middernachtelijk uur zulke feestelijke klanken in dit godshuis?
    Oh, vertel! Wat gebeurt er?
    Burgers:
    Op dit ogenblik schenkt de met hem verzoende Hemel vergiffenis aan de goddeloze; hier moet Pagano, de bandiet, zich ter aarde werpen, om terug te kunnen keren naar de vreugden van zijn geboortegrond.
    Vrouwen:
    Vertel! Vertel! Welk noodlot heeft hem ooit uit zijn vaderland verjaagd?
    Burgers:
    Viclinda was een aardig meisje bekoorlijk en vervuld van liefde; de rijkste en de knapste jongelingen verlangden, smachtten ernaar om haar hun bruid te kunnen noemen. Maar het onschuldige hart van Viclinda voelde zich aangetrokken tot Arvino en zij trouwde hem. De afgewezen Pagano, zwoer in zijn vertoornde hart op een vreselijke wijze wraak te zullen nemen. Op een dag (op hetzelfde late uur als nu) ging het gelukkige paar naar de kerk; toen plotseling die schurk) (met zijn handlangers zijn broer van alle zijden aanviel; sindsdien doolt hij rond, alleen en verbannen, ging hij naar de heilige plaatsen om te bidden. Al vele jaren beweent hij zijn misdaad, nu mag hij naar de zijnen terugkeren.
    Vrouwen:
    Kijk daar! Dat zijn ze! Zie je het? Ieders gezicht straalt van innige vreugde.
    Burgers:
    In de onrustige ogen van Pagano ziet men echter nog de sporen van langdurige verschrikkingen.
    Pagano, Arvino, Giselda, Viclinda en Pirro komen op, voorafgegaan door priors van de kloosters van de stad en de dienaren met de toortsen.
    Allen: In zijn afschrikwekkende en sombere blikken zag men nog de weerspiegelingen van de hevige storm in zijn hart, ja; het kan, al gebeurt het vrijwel nooit dat de razernij van een wolf verandert in de onschuld van een lam.

    • CD I. 2. Scena:"Qui nel luogo sante e pio"

    Pagano: neerknielend.
    Hier op deze heilige en godvruchtige plaats, het toneel van zijn misdaad, smeek ik de wereld en God om vergeving, nederig en met een bezwaard hart.
    Arvino:
    Kom!….Laat de omhelzing door je broer de bezegeling van je vergiffenis zijn. Ze omarmen elkaar.
    Priors:
    Leve Arvino! Oh edele ziel!
    Giselda en Viclinda:
    Vrede! Vrede!
    Pagano:
    (Oh wat een schande)

    • CD I. 3. Quintetto"T'assale un tremito!"

    Giselda: tegen Arvino.
    Je beeft! Vader wat is er aan de hand? Je gezicht is bleek geworden. Mijn hart is vol van oneindige vreugde en jij kunt die niet met me delen?
    Arvino: voor zichzelf.
    Mijn lippen uitten mijn diepste gevoelens, maar plotseling overviel een ijzige kilte mijn hart. In die blikken is zeker woede. Een verschrikkelijke verdenking bekruipt me!
    Pagano: tegen Pirro.
    Pirro, heb je me begrepen! Zelfs de Hemel kan ze niet voor mijn woede beschermen! De dwazen! Ze hebben mijn hart doorboord en ze hopen op vrede met mij!
    Pirro: tegen Pagano.
    Heer, uw wens is mijn bevel. Vannacht in de diepste duisternis zullen we ons als geesten bij je voegen.
    Giselda, Viclinda; tegen Arvino
    Mijn hart is vol van oneindige vreugde en jij kunt die niet met me delen?
    Koor:
    Ze hebben elkaar omhelsd! Laat het geen kus zijn als die waarmee Judas de Heer verried! Oh het plotselinge zwijgen van het hart is geen voorbode van zekere vrede.

    • CD I. 4. Scena:"Or s'ascolti"

    Een prior:
    Luister nu naar de wil van het volk! Allen, bezield door de oproep van Peter van Amiens, roepen jou, o edele Arvino, uit tot aanvoerder van de Lombardische Kruisvaarders.
    Arvino:
    Ik neem deze moeilijke opdracht aan, hiervoor wil ik mijn leven geven; oh broer! omarm me; laat Hemel en aarde onze eden aanhoren!
    Allen:
    De goddeloze die deze heilige eed breekt, zal met schande overladen worden; Hij zal nooit meer een uur van vrede kennen, als hij het daglicht met bloed kleurt.
    Arvino, Pagano:
    Genoeg nu! Laat er nooit meer sprake van haat tussen ons zijn. Laten we het zwaard trekken om te bekrachtigen dat we broeders zijn; Verenigd werpen we ons als leeuwen op de goddeloze vaandels die door de Hemel vervloekt zijn.

    • CD I. 5. Coro: "A te nell'ora infausta"

    Nonnen: achter de schermen;
    In deze noodlottige tijd vol slechtheid en berusting, gaat een vroom gebed naar u op vanuit dit gezegend klooster; voor uw trouwe maagden heeft de hemel zich in hun dromen geopend. Schenk in deze sombere duisternis vrede aan de mensheid; verijdel de misdaden van de zondaars, beschaam de goddeloze sterfelijken en blijere gezangen zullen op de nieuwe dag weerklinken.

    • CD I. 6. Recitativo:"Vergini!...il ciel per ora"

    Pagano:
    Maagden! Op dit moment is de Hemel doof voor jullie gebeden; en om daar niet minder zeker van te zijn, zal in deze nacht van onontkoombare wraak, de kling van mijn dolk toestoten! O Pirro! Toch is mijn ziel niet geboren voor de misdaad! Liefde kon haar heiligen of verdoemen!
    Nonnen:
    Schenk vrede aan de mensheid.

    • CD I. 7. Aria:"Sciagurata!hai tu creduto"

    Pagano:
    Armzalig schepsel! Geloofde je echt dat ik je kon vergeten, Jij op het hoogtepunt van geluk, ik op het dieptepunt van smart? Zoals de Italiaanse vulkaan zijn voedsel aan de wateren onttrekt, zo voedt ik mij, ver van jou, met het vuur van de liefde!
    Pirro:
    Veel getrouwen hebben zich hier verborgen, in afwachting van je bevelen.
    Pagano:
    Laat ze zich tonen!
    Pirro geeft een teken in de richting van het struikgewas. Overal moeten ze het vuur aanwakkeren. Deze taak is vol gevaren! Arvino heeft veel dienaren; maar hem die mij goed dient, wacht een grote beloning.
    Sluipmoordenaars:
    Geen enkel gevaar kan ons hart met laffe angst bevangen; geen duisternis kan het flitsen van een dolk verhinderen; zachtjes gaan we met vaste tred door elke deur en over elke muur; temidden van het geschreeuw en het gejammer, onverschrokken, stil genieten we ervan om weer een ziel met één enkele dolkstoot naar het paradijs te sturen! Met onze dolk nog druipend van het bloed gaan we dan zitten om te eten!
    Nonnen: achter de schermen.
    Verijdel de misdaden van de zondaars.
    Pagano:
    O de hoop op wraak, laat mijn gezicht weer stralen; vele jaren door mij geliefd wil ik naar geen andere stem luisteren; ooit zou ik met mijn bloed deze betovering van schoonheid gekocht hebben; ah! Nu eindelijk, nu ben je de mijne. Het bloed van een ander zal vergoten worden.
    Sluipmoordenaars:
    Ah, beveel, zeg ons wat te doen en iedereen zal weten hoe u goed te dienen!

  • Terug naar boven


  • 2e tafereel:
    • CD I. 8. Scena" "Tutta tremante ancor"

    Een galerij in het paleis van Folco. Aan de linkerzijde liggen de vertrekken van Arvino, rechts liggen andere appartementen. Het toneel wordt door een lamp verlicht.

    Viclinda:
    Ik voel nog hoe mijn hele lichaam beeft. Nee, in de blik van de onrechtvaardige verscheen een wolk van woede, geen berouw. Kom, o Giselda! Laten we in dit uur vol gevaar een gelofte doen aan God: Laten we zweren, dat als hij zijn barmhartige mantel beschermend over jouw vader, mijn echtgenoot spreidt dan, zweren we, zullen we blootsvoets een bedevaart maken naar het Heilig Graf!
    Arvino: uit zijn kamer komend;
    O echtgenote, trek je op je kamer terug, maar ga nog niet slapen.
    Giselda:
    Oh hemel, dreigt er gevaar?
    Arvino:
    Mijn vader zal bij je zijn. Ik dacht het geluid van vele voetstappen te horen! Het kan zijn dat mijn opgewonden geest me voor de gek houdt. Ga, mijn liefste! Hij gaat weg.

    • CD I. 9. Preghiera: "Salve Maria"

    Giselda:
    Heilige Maagd, ik smeek Je! ze knielt met Viclinda neer. Gegroet Maria! De Heer die in U is, vervult u met genade; Uw Goddelijke vrucht is gezegend, o gij gelukkigste onder de vrouwen! Heilige Maagd, moeder van God, bid voor ons ongelukkigen, opdat hij ons met barmhartige ogen beziet als onze laatste avond valt!
    zij gaan weg.

    • CD I. 10. Scena e Finale: "Vieni! Già pose Arvino"

    Pirro:
    Kom! Arvino rust al in zijn kamer, zei een dienaar.
    Pagano:
    Oh, wat een vreugde! Doof die ongelukzalige lamp, het schijnsel van vlammen zal weldra de triomf van mijn wraak verlichten, wacht! Hij gaat voorzichtig de vertrekken van Arvino binnen.
    Pirro: Hij ziet binnen vlammen opflakkeren;
    Maar de sluipmoordenaars hebben brand gesticht! Wat hoor ik voor zwaardgekletter! Ik ga naar binnen, in het wilde spel zal ik te weten komen welk gezicht ik moet trekken. Zijn zwaard trekkend gaat Pirro weg. Even later rent Giselda het toneel over.
    Viclinda: die wordt voortgesleept door Pagano.
    Ellendeling! Oh Mijn echtgenoot!
    Pagano:
    Die heeft al kennis gemaakt met de punt van mijn dolk, zwijg en volg me.
    Viclinda:
    Ik sterf liever aan je voeten!
    Pagano:
    En wie kan je hier op deze plaats redden? Niemand kan je nog van mij scheiden; op je geween, op je verbitterde klachten kan alleen een van mijn sluipmoordenaars antwoorden. De brand begint te doven. Hier is niemand die je kan horen.
    Arvino:
    Ik hoor haar.
    Pagano:
    Ik ben verbijsterd!!! Mijn dolk druipt van het bloed! Van wie is dat?
    Giselda, Viclinda:
    Je vader! Pagano laat zijn dolk vallen.
    Arvino, Pirro, Koor:
    Verschrikkelijk!!!

    • CD I. 11. "Mostro d'averno orribile"

    Allen, Pagano:
    Gruwelijk monster uit de hel, zal de aarde (mij) jou niet verslinden? Heeft de Eeuwige geen bliksemschicht die (mij ) jou kan verrassen? Alleen (mijn) jouw naam al vervult de Hemel met afschuw! Ah!

    • CD I. 12. "Parricida!"

    Arvino:
    Vadermoord! Ook jij zult doorstoken worden, op het lijk van je vader zul je sterven.
    Giselda: tussenbeide komend.
    Ach vergeld geen misdaad met een misdaad! Bespaar ons nog zo'n gruwelijk tafereel.
    Pagano: tegen Arvino:
    Wat? Je houd je in? Heb je geen moed? Kijk, ik breng mezelf de dodelijke wond toe. Hij wil zichzelf doden met zijn zwaard, maar hij wordt door de soldaten tegengehouden.
    Mannenkoor:
    Ongelukkige! Het leven, het leven zal een grotere straf voor je zijn dan de dood!
    Allen, Pagano:
    Ga! Op jouw (mijn) voorhoofd zal de Eeuwige het noodlottige Kainsteken drukken,; deze verschrikking zal jouw (mijn) vlees meer verteren dan vuur en slangen uit de hel! Ga! (Ach!) temidden van bloemen langs een mooie weg, in grotten, in bossen, op bergen, altijd zal er bloed op je (mijn) hoofd zijn, altijd zal een duivel je (mij) op je (mijn) nek zitten!

  • Terug naar boven


  • 2e bedrijf: De man in de grot.


    1e tafereel:
    Een zaal in het paleis van Acciano in Antiochië. Acciano zit op de troon, voor hem staan afgezanten, soldaten en volk.

    • CD I. 13. Coro:"È dunque vero?"

    Afgezanten:
    Het is dus waar?
    Acciano:
    Ik zag de glans van hun schandelijke zwaarden!
    Afgezanten:
    De hoogmoedigen! Waarom hebben de barbaren hun geboorteland verlaten? De toorn van Mohammed zal ze vernietigen!
    Acciano:
    Ze zijn sterk, wreed en blinken uit in verkrachting en plundering. Overal laten ze een spoor na van dood en verwoesting.
    Allen:
    Ach meedogenloze Allah, daal uit de Hemel neer om de gelovigen te straffen!
    Nu de donderwolken uit Europa onze landen bedreigen, raas daarom op uw stormen voor ons uit, vernietig ze met uw bliksemschichten en wij zullen voelen hoe uw macht ons bezield. Wij zweren! Gij zult ons zien opstaan als één man, we zullen alle onderlinge twisten vergeten en vol vuur van een gemeenschappelijke woede; is er nog redding voor de ongelovigen, als Gij onze hartstocht zo aanwakkert? Dit zweren wij. Acciano en het koor gaan weg.

    • CD I. 14. Scena"O madre mia, che fa colei?"

    Oronte:
    Oh moeder, hoe gaat het met haar?
    Sofia:
    Ze zucht, ze weent, ze roept om die haar lief zijn, maar de ongelukkige houdt van jou.
    Oronte: met nadruk.
    Er is geen gelukkiger sterveling op deze aarde dan ik!
    Sofia:
    (Oh moge God zo de geest van mijn zoon verlichten!)

    • CD I. 15.1. Cavatina: "La mia letizia infondere"

    Oronte:
    Ik wou dat ik mijn blijdschap aan haar lieflijke hart zou kunnen schenken! Ik wou dat ik met de hartslag van mijn gezegende liefde zoveel harmoniën in het uitspansel zou kunnen doen ontwaken als er planeten zijn; ah! Met haar naar de hemel te gaan en daarheen op te stijgen waarnaar geen sterveling kan gaan!
    Sofia:
    Oh! Maar bedenk, dat je haar alleen tot de jouwe kunt maken, als je eerst neerknielt voor de God van haar vaderen.
    Oronte:
    Ik voel hetzelfde als U!
    Sofia:
    Oh wat een vreugde!
    Oronte:
    Oh moeder! Dikwijls heb ik al diep in mijn hart gedacht, dat de enige ware God, die van die van die engel van liefde.

    • CD I. 15.2. "Come poteva un angelo"

    Oronte:
    Hoe kon de hemel zo'n zuivere engel creëren en niet de sluier van de waarheid van haar ogen wegnemen?
    Kom, leid me naar haar toe, verlicht mijn zinnen; kom, door haar te zien, laat mijn onzekere geest en hart worden getroost!
    Sofia:
    Mijn zoon! De liefde heeft een engel gezonden voor jouw redding!
    Sofia, Oronte:
    Kom, kom, kom.

  • Terug naar boven


  • 2e tafereel:
    • CD I. 16. Scenae Marcia: "E ancor silenzio!"

    Uitlopers van een berg met daarin de ingang van een grot.
    Een kluizenaar komt uit de grot


    Heremiet:
    Alles is nog stil!
    Oh, wanneer zullen de klanken van een oorlog samengaan met het geluid van de winden en de waterval?
    Oh, zullen deze ogen, die steeds met tranen gevuld zijn, de banieren van de Kruisvaarders niet zien die staan te glanzen op de bergtoppen?
    Om dan de stank van hun grote misdaad te zuiveren, kunnen mijn handen zich dan nooit losscheuren van de goddeloze Moslimbanden?
    Alles is nog stil. Wat een dwaasheid! Wie ben ik, dat de regenboog van de vrede glimlachend zou neerzien op mijn ziel? Alleen God is rechtvaardig; moge smart en weeklacht door Hem worden gezegend!
    Maar wanneer een vreselijk geluid verkondigt: "Het is Gods wil", wanneer ik het Kruis zie schijnen gelijk een nieuwe zon, zal mijn hele hart branden met jeugdige furie, en mijn stramme rechterhand zal het zwaard grijpen; dan zal mijn ziel opnieuw worden verlost in de hemel.
    Maar wie komt daar nu aan?
    Zijn kleren vertellen me dat hij Moslim is.
    Laten we ons terugtrekken.....
    Pirro:
    Ach, blijf! Hoor met medelijden een ongelukkige man aan!
    De faam van uw heilige deugdzaamheid heeft zich al heinde en ver verspreid!
    Zeg me, oh zeg me, welke vergiffenis ik op aarde kan verkrijgen.
    Mijn naam is Pirro, en ik was een Lombardijn; ik heb mijn hand verleend aan een vadermoord; door hier naartoe te vluchten, als een lafaard, heb ik mijn geloof verloochend.
    Angst en smart leiden mij nu smekend naar uw voeten.
    Heremiet:
    Sta op, en heb hoop!
    Pirro:
    De muren van Antiochië zijn mij toevertrouwd.
    in de verte hoort men geluiden
    Heremiet:
    Wat is dat voor lawaai?
    Pirro:
    Dat zijn de kruisvaarders verspreid over de vlakte.
    Heremiet:
    Hemel! Wat hoor ik! Zeg je de waarheid? Vol geestdrift. Kom, met mij zul je vergeving vinden! God, Grote God van de ongelukkigen. Uw medelijden kent geen grenzen. Welnu! Bied voor je zonden de Hemel de verdorven stad aan. Men hoort de fanfare zeer dichtbij.
    Pirro:
    Heilige man,ik zweer je, dat ik vannacht in de vervloekte muur voor mijn volk een bres zal slaan! De kruisvaarders beginnen op te komen, ook de fanfare komt op het toneel.
    Heremiet:
    Maar het lawaai wordt sterker, kom dichterbij. Hartstochtelijk. Hemel! Lombarden!
    Pirro:
    Ah! Ja, Lombarden!
    Heremiet:
    Ga! In de grot zul je veilig zijn. De heremiet gaat met Pirro de grot in en komt naar buiten met een helm en een zwaard. Inmiddels hebben de kruisvaarders zich over de berg verspreid, voorafgegaan door Arvino. Oh, toon je glans weer eens aan de blikken van je oude strijdmakker, mijn aloude zwaard, o mijn helm! Hij zet zijn helm op en doet het vizier omlaag.

    • CD I. 17. Duettino: "Sei tu l'uom della caverna?"

    Arvino:
    Ben jij de man uit de grot?
    Heremiet:
    Ik? Die ben ik! Wat wil je van mij?
    Arvino:
    Je gebeden! Ah, alleen jij kunt de eeuwige toorn bezweren die tegen mij gericht is!
    Heremiet:
    Oh! Weet je wel tegen wie je spreekt?
    Arvino:
    Iedereen heeft het over jou; men zegt dat op de plek, God zich aan je geloof openbaart! Luister, een troep moslims heeft me mijn dochter ontstolen; ik probeerde ze tevergeefs te volgen, ze waren al verdwenen.
    Heremiet:
    Zeg me! Zijn je mannen sterk en talrijk?
    Arvino:
    Ja.
    Heremiet:
    Je zult je geliefde dochter weerzien.
    Arvino: de heremiet naar een hoogte leidend. Daar zie je heel Europa verzameld, gehoorzaam aan de wil van Godfried ! (van Bouillon).
    Heremiet:
    Oh wat een vreugde! De nacht valt al! Volg me o Lombardische broeders; vannacht zul je je tenten opzetten, ik zweer het je, in die grote stad!
    Arvino:
    Heilige oude man, die ons tot roem aanspoort, je vuur brandt al in ons!

    • CD I. 18. Inno dei Crociati: "Stolto Allhà"

    Allen:
    Bespottelijke Allah! De beloofde toorn zal je nu met zijn volle gewicht verpletteren; overal weerklinken de heilige woorden, die het einde van je dagen aankondigen.
    Arvino, Heremiet, Dan het koor:
    Het kruis schittert al, door onze geestdrift, met een bloedig en verschrikkelijk licht. De barbaarse horde is vernietigend verslagen, de trotse heidenen vluchten weg.

  • Terug naar boven


  • 3e tafereel:
    • CD II. 1. Coro di Schiave: "La bella straniera"

    Een haremserail. Vrouwen vergezellen Giselda, die treurig op een bank gaat zitten.

    Vrouwen: Ironisch
    De mooie vreemdelinge die alle harten voor zich inneemt! Kom, laten we rond haar dansen; waarom zijn haar ogen altijd vol tranen, als ze kan beschikken over alle vreugden van dit verblijf? Zij alleen regeert het hart van Oronte, de mooie vreemdelinge!
    Waarom verliet je het huis van je voorouders? Waren daar geen geliefde naar je smaak? Kijk naar die bekoorlijke ogen die de nieuwste pracht van de Oriënt zijn.
    Wij zijn uw nederigste dienaressen. Welke dienst verlangt de mooie vreemdelinge? Oh dwaas! Oh hoogmoedige! Die ogen, die het vuur van een schandelijke liefde in de prins aanwakkerden, zullen weldra de dood van haar familie zien, hoe hun verachterlijk vaandel door het slijk wordt gehaald!
    Laten we gaan, misschien wil ze nog een gebed zeggen, de mooie vreemdelinge! Ze rennen weg.

    • CD II. 2.1 Rondò: O Madre, dal cielo soccorri"

    Giselda: woedend opstaand.
    O moeder, kom mijn tranen vanuit de Hemel te hulp, help mijn hart, dat geen vrede meer kent! Waarom heb je me verlaten?
    Een onheilige liefde verergert mijn smart! Ach zend me hulp!

    • CD II. 2.2 Arioso: "Se vano è il pregare"

    Als mijn gebed, dat jij naar me terugkeert, tevergeefs is, laat mijn gebed dan voldoende zijn om naar je toe te komen, daarboven.
    Ik zie hoe een opeenhoping van vreselijke dagen, als een duister schrikbeeld, op me drukken! Ah!

    • CD II. 3. Finale: "Chi ne salva?"

    Vrouwen: Achter de schermen.
    Wie redt ons!
    Giselda:
    Wat voor een geschreeuw!
    Vrouwen:
    Ah laten we vluchten!
    Mannen:
    Doodt ze! Turkse soldaten komen op achtervolgd door kruisvaarders, dan haremvrouwen en Sofia.
    Vrouwen:
    Wie zal ons redden van deze barbaarse woede, als ook de profeet zijn getrouwen in de steek laat?
    Giselda:
    De kruisvaarders!
    Sofia:
    O Giselda, een lafhartig verraad heeft onze vijanden hierheen geleid! Mijn echtgenoot en mijn zoon zijn voor mijn ogen gevallen.
    Giselda:
    Oh wat zeg je?
    Sofia:
    Oh ik zag de razende, die ze vermoordde!
    Giselda: Haar gezicht met haar handen bedekkend.
    Mijn vader! Hijzelf!
    Heremiet: naar Giselda wijzend.
    Kijk, ik heb mijn woord gehouden, om Heer.
    Arvino:
    Mijn Giselda! Keer terug in de armen van je vader!
    Giselda: Ontzet terugdeinzend.
    Dat bloed!
    Sofia:
    Oh wat een verdriet!

    • CD II. 4. Cabaletta: "No! No! giusta causa non è"

    Giselda: alsof ze waanzinnig is geworden.
    Nee! Het is geen rechtvaardige zaak van God om de aarde met mensenbloed te doordrenken; het is verachtelijke dwaasheid, geen godvruchtige gedachte.
    Schreeuwend:die door het Mohammedaanse goud wordt gewekt! Dit is niet de opdracht van de Hemel nee, dit is niet de wil van God!
    Arvino:
    Wat hoor ik?
    Sofia, Heremiet:
    Ach de ongelukkige!
    Giselda:
    Wat voor een duistere sluier is door Goddelijke kracht voor mijn ogen weggetrokken! De overwonnenen zullen opstaan, verschrikkelijke wraak is gehuld in de nevelen van de nabije toekomst! Niemand zal het gegund zijn om de geest te geven in het land waar hij begon te ademen! Het schandelijk afslachten van mensen is altijd al door de God van de mensheid geminacht.
    Arvino:
    Goddeloze! Heiligenschennis!
    Giselda: fluisterend en op profetische toon.
    Ik zie jullie hoofden al hangen, als een speelbal van de wind; ik zie een stroom van barbaren opstaan om de volkeren van Europa te onderdrukken! Want het was nooit de opdracht van God om deze zee van bloed te vergieten! Nee, het is niet de wil van God. Hij kwam alleen op de aarde om over vrede te spreken!
    Heremiet:
    Oh zwijg, onbezonnen meisje!
    Arvino: zijn dolk trekkend.
    Laat je dood, wat je schaamteloze mond zei doen verstommen!
    Giselda:
    Steek toe!
    Sofia, Heremiet, Koor.
    De Heremiet houdt Arvino tegen. Wat doe je? Het verdriet van dit ongelukkige meisje is zo groot dat, zoals je duidelijk kunt zien, ze haar verstand verloren heeft!
    Arvino:
    De verdwaasde, ze heeft haar verstand verloren.

  • Terug naar boven


  • 3e bedrijf: De bekering.


    1e tafereel:
    • CD II. 5. Processione: " Gerusalem!"

    Het dal van Josaphat. Het is omgeven door verschillende heuvels, waarvan de Olijfberg de belangrijkste is. In de verte kan men Jeruzalem zien liggen. Ridders, Kruisvaarders, vrouwen en pelgrims komen met ontbloot hoofd in processie op.
    Koor. Achter de schermen.
    Jerusalem! Jeruzalem! De grote, de beloofde stad! Oh niet tevergeefs vergoten bloed, de lauwerkransenvan God liggen al voor U klaar!
    Men komt langzaam op.
    Vrouwen:
    Ach! Door deze plaatsen die het ons gegeven is te zien en met onze tranen te doordrenken, kan onze ziel in zijn laatste uur opgaan naar de schoot van God!
    Mannen:
    Op die hellingen daar boeiden de goddelozen het genadeschenkend Lam; hier vielen de vraatzuvhtige wolven ter aarde toen Hij antwoordde: "Ik ben het"! Op deze heuvels weende de Nazarener om de noddlottige stad; dat is de berg, waar Hij zijn dodelijk lijden begroette!
    Allen:
    Ach! Door deze plaatsen die het ons gegeven is te zien en met onze tranen te doordrenken, kan onze ziel in zijn laatste uur opgaan naar de schoot van God!
    O bergen , O vlakten, O dalen voor eeuwig heilig in de gedachten van de mensheid! Zie de levende God komt, de verschrikkelijke strijder! Zij gaan weg door het dal, in de verte hoort men: Jerusalem! Nog verder weg. Jerusalem!

    • CD II. 6. Scena: Dove sola m'inoltro?"

    Giselda:
    Waar ben ik in mijn eentje terechtgekomen? In de tent van mijn vader kreeg ik geen adem! Ik heb lucht nodig, frisse lucht; het is hier verlaten, de gezangen zijn verstomd, alleen zijn mijn gedachten niet aan de Hemel gewijd, ah mijn geest kan alleen maar aan de liefde denken!
    Oronte:Die de laatste woorden gehoord heeft.
    Giselda!
    Giselda:
    Oh hemel! Bedriegen mijn ogen mij?
    Oronte:
    Ah nee! Je bent in de armen van Oronte!
    Giselda:
    Ah! Ik droom dat hij het is! Ah het gezicht dat ik met mijn tranen heb doorweekt!
    Oronte:
    Oh Giselda! Je bent me dus niet vergeten?
    Giselda:
    Ach wat heb ik je dood beweend!
    Oronte:
    Door het vijandelijke zwaard werd ik slechts ter aarde geworpen; de hoop je nog één keer te zien maakte me laf! Ik nam de vlucht, dwaalde doelloos rond, ik vermomde me, mijn wens volgend je nog één keer te zien en dan te sterven.
    Giselda:
    Oh ga niet dood!
    Oronte:
    Alles is verloren! Vrienden, vaderland, ouders, de troon, een leven met jou!
    Giselda:
    Nee! Ik wil je volgen. Ik vlucht samen met jou!
    Oronte:
    Jij! Wat hoor ik!
    Giselda:
    Ik wil je lot delen.
    Oronte:
    Ongelukkige, dat is een verschrikkelijk voornemen; mijn weg is vervloekt. Ik trek als een wild beest langs ravijnen en door bossen; een speelbal van de wind, tegen de stormen vind ik vaak een schuilplaats in een grot, een hol! Je huwelijksbed zal het zand van de oneindige woestijn zijn, je liefdeslied het gehuil van een hyena! Ik, alleen ik zal geluk vinden in mijn hartstocht!
    Giselda:
    Oh haast je! Nog steeds hangt ons een groot gevaar boven het hoofd!
    Oronte:
    Heb je alles goed overdacht?
    Giselda:
    Een liefhebbend hart luistert niet meer naar andere raad!
    Oronte: vol blijdschap.
    Oh wat een vreugde! Nu veracht ik alle slechtheid en droefenis op aarde! Kom! Ik ben bij je!
    Giselda:
    Ah Ja! Jij bent mijn vaderland, leven en Hemel voor mij!
    Oronte:
    Ah een grotere schat dan het koninkrijk dat ik verloren heb, vind ik nu in jou!

    •CD II. 7. Duetto: "Oh belle, a questa misera"

    Giselda:
    Oh Lombardische tenten, zo mooi in de ogen van deze ongelukkige, vaarwel! Het is alsof er door jullie een briesje uit de hemel waait, de hemel boven mijn geboortegrond! Ah! Een nog hemelser betovering haalt mij, in tranen, van jullie weg! Moeder, vergeef me! Een ziel wordt verlost door een zo grote liefde!
    Oronte:
    Je vlucht, je verlaat, o ongelukkige liefde van je volk voor die van mij!
    Voor jou Lombardisch meisje, verlaat ik ook alles. We zullen met een traan wenen, onze harten zullen één zijn! Dezelfde God die jij aanbidt zal ook mijn gebeden ontvangen!
    Giselda:
    Vergeef me! Moeder, vergeef me! Een ziel wordt verlost door een zo grote liefde!
    Mannen: achter de schermen.
    Te wapen!
    Oronte:
    Wat hoor ik!
    Giselda:/Oronte
    Ah! Kom, alleen de dood kan onze zielen nog scheiden, noch Hemel, nog aarde kan mij van je wegnemen! Giselda en Oronte zingen samen nog enige tijd de bovenstaande tekst, enkele malen onderbroken door door de mannen met: Te wapen!

  • Terug naar boven


  • 2e tafereel
    • CD II. 8. Scena ed Aria: "Che vid'io mai?"

    De tent van Arvino
    Arvino:
    Wat heb ik toch gezien? Woede, schrik wierpen me met een klap op de grond! Maar de man uit de grot wierp zich op de vluchtenden, die werden weggedragen door een arabische hengst! Als een bliksemschicht verdwenen ze alle uit mijn ogen! Ach verachterlijk meisje! Goddeloos meisje! Geboren tot schande van mijn huis! Was je maar in de wieg gestorven, goslasterlijk zicht! Kwalijke bron van mijn ongeluk! Wat is er voor nieuws?
    Kruisridders:
    Meerdere mensen hebben gezien dat Pagano gesprekken voerde in de tenten van het kamp van de kruisvaarders.
    Arvino:
    Mijn God!
    Kruisridders:
    Wie heeft hem naar de heilige weg geleid? Wie komt de eerloze moordernaar nu weer verraden? Zie je niet in zoveel ongeluk de hand van de hemel, die vertoornd is om je kwaadaardige broer? Laat een vreselijke wraak de onwaardige achtervolgen, de woede van ons allen kan hij niet ontvluchten!
    Arvino:
    Ja! Ik kan de vergissing van de Hemel om hem niet te straffen rechtzetten; mijn zwaard zal hem verwonden, zijn hart van schurk doorsteken.
    Kruisridders:
    Laat een vreselijke wraak etc.
    Arvino:
    Ah! De verafschuwde zal zijn laatste adem uitblazen, ik verpletter hem onder mijn voeten! Ook als hij zich in de hel verbergt, kan hij me niet meer ontsnappen.
    Kruisridders:
    De woede van ons allen kan hij niet, nee niet ontsnappen, kan hij ons niet ontsnappen.>

  • Terug naar boven


  • 3e Tafereel.
    • CD II. 9. Preludio

    Binnenin de grot. Door een opening achterin ziet men de oevers van de Jordaan.

    • CD II. 10. Scena: Qui posa il fianco"

    Giselda: die de gewonde Oronte ondersteunt.
    Rust hier uit! Ze vlijt hem neer op een rots. Ach helaas! Hoe zwaar hebben de wreedaards je verwond!
    Oronte: met schorre stem.
    Giselda! Ik sterf!
    Giselda:
    Ah wat een gruwelijke beloning is dit voor mijn geloof.
    Oronte:
    Ik sterf!
    Giselda:
    Ah zwijg! Oh zwijg! Je zult genezen, mijn kleding heeft je verschrikkelijke wond al gesloten.
    Oronte:
    Tevergeefs heb je medelijden met mij.
    Giselda: woedend.
    Luister nu naar me, O God van mijn voorvaderen!
    Vol hartstocht. Je hebt me mijn moeder ontnomen, mij heb je gespaard voor dagen vol smart. De enige troost voor mijn verdriet is deze liefde en die ontruk je mij. Jij onbarmhartige.
    Heremiet:
    Wie beschuldigt God? Deze liefde is een zonde.
    Giselda. Verbaast.
    Die woorden raken mijn hart.
    Oronte:
    Wie ben jij?
    Heremiet:
    Ik ben iemand die je een nieuw leven kan beloven, als je je bekeert tot ons geloof.
    Giselda:
    God bezielt hem!
    Oronte:
    Oh ja! Je taak, o Giselda, is nu volbracht! Dikwijls heb ik hier al naar verlangd. Man van God kom bij me!
    Heremiet:
    Sta op! Je hebt de Hemel niet vergeefs aangeroepen, Hij toont je in al zijn glorie; moge het heilige water van de Jordaan een loutering zijn van je leven!
    Giselda:
    Oh onze liefde is niet meer zondig voor de Hemel! Leef! Ah leef!

    • CD II. 11. Finale. Terzetto: "Qual voluttà"

    Oronte:
    Een nieuwe kracht vervult mijn vcerlangend hart! Wat een genot om te voelen hoe het door al mijn aderen stroomt! Ik houd het niet meer uit. Tegen Giselda: Help me. Ik kan je nauwelijks meer zien!
    Giselda:
    Ach sterf niet! Wacht op mij, o er is geen hoop meer! We hebben samen in tegenspoed geleefd, samen zullen we sterven! Heremiet:
    Richt je gedachten tot God in dit noodlottige en laatste uur; laat slechts een Goddelijke en vrome hartslag kracht geven aan het hart.
    Oronte:
    Kom bij me! Oh nieuwe betovering!
    Giselda:
    Wacht op mij.
    Oronte:
    Doorweek me met je tranen, ah!
    Giselda:
    Ah! Kun je de vrouw die zo van je gehouden heeft hier achterlaten met al haar verdriet?
    Heremiet:
    Als je hier slechts in tranen liefde kon vinden, heb dan hoop! Ooit zul je bij de engelen de genade vinden van vreugde!
    Giselda:
    Waarom ontzeggen de engelen mij de Hemel die voor jou openstaat?
    Oronte:
    Ik zal in de Hemel op je wachten, jij hebt hem voor mij geopend!
    Giselda:
    Wacht op mij in de Hemel!
    Oronte:
    Ik zal in de Hemel op je wachten! In de Hemel wacht ik op je, ik sterf, in de Hemel!
    Heremiet:
    Ooit zul je bij de engelen genade ontvangen! Blijf hopen!

  • Terug naar boven


  • 4e Bedrijf. Het Heilige Graf.


    1e tafereel.
    Een grot dicht bij Jerusalem. Giselda is alleen. In een droom heeft ze een visioen van Hemelse Geesten.

    • CD II. 12.1 Coro e Scena: "Componi, o cara vergine"

    Hemelse Geesten:
    O Lieflijke maagd, trek een blij gezicht, door jou heeft een verloste ziel zijn weg gevonden naar het Paradijs; kom, en deel in het goede, wat je geschinken zal worden, kom, kom, kom.
    Giselda: Ze staat op maar blijft dromen.
    Oh! De grot lijkt te glanzen door de bovenaardse verschijningen; ah ja! Laat de dageraad van de eeuwige dag snel komen. Met een geschreeuw van vreugde. Oronte, ah jij bent bij de engelen. Waarom zeg je niets tegen mij?

    • CD II. 12.2 " In cielo benedetto"

    Oronte:
    Dankzij jou, Giselda ben ik in een gezegende Hemel! Mijn gebed stijgt al door God verhoord, op naar zijn troon. Ga, roep je vol toe dat ze zich moeten sterken met hoop, ah! De bron van Siloë zal opnieuw water geven. Kom, ah kom.
    Hemelse Geesten:
    Kom, en deel in het goede, wat je geschonken zal worden, kom, kom, kom. Het visioen verdwijnt.

    • CD II. 13. Aria: "Qual prodigio!"

    Giselda: Ontwakend, ze is zeer opgewonden.
    Wat een wonder! Oh! Het paradijs is weer een donker hol geworden! Het was een droom! Maar! Waar komt die onverachte kracht in mijn hart vandaan?
    Het was geen droom! In het diepst van mijn ziel klinkt nog steeds zijn geliefde stem; Ik zie nog steeds de palmtak van de gezegenden in zijn hand schitteren!
    O strijders van het Kruis, vooruit, ren om de heilige lauweren te ontvangen! De rivier stroomt al, die jullie stemming en jullie verzwakte ledematen zal doen opleven.

  • Terug naar boven


  • 2e Tafereel.
    Het kamp van de Lombarden, dichtbij het graf van Rachel.

    • CD II. 14. Coro: "O signore, dal tetto natio"

    Kruisvaarders en Pelgrims:
    O Heer, Gij hebt ons van ons geboortehuis weggeroepen met een heilige belofte; We hebben ons gehaast, opgeroepen door een heilige man, jubelend gingen we de moeilijke weg. Maar uw vermetele en dappere dienaren zijn ontmoedigd en hebben geen kracht meer!
    Ach! Laat uw trouwe strijders, o Christus, niet tot spot van de mensheid dienen! Oh de frisse briesjes die over de lieflijke beekjes in de Lombardische velden waaien! Eeuwige bronnen! Kristalheldere meren! Oh wijngaarden, door de zon verguld!
    Een noddlottig, wreed geschenk is de gedachte die dit alles zo duidelijk voor onze ogen schildert en het zand van een dorre bodem nog ruwer en schrijnender op onze lippen laat voelen!

    • CD II. 15.1 Inno di guerra!" "Al Siloe!"

    Giselda, Arvino, Heremiet: Achter de schermen.
    Naar Siloë! Naar Siloë
    Koor:
    Er wordt geroepen!
    Giselda:
    De hemel heeft de gebeden van de gekwelden gehoord! Iedereen staat bij het water dat van de Siloë komt!
    Koor:
    Wat een vreugde! Wat een vreugde!
    Arvino:
    Luister nu naar mij, Lombarden! Als de dorst gelest is, zullen jullie zeker niet de laatste zijn die nog een keer de verlaten muren beklimmen!
    Laat niets de heidenen waarschuwen. Luister! Daar weerklinken de trompetten van Bouillon! Heden zal het Heilig Land van ons zijn.

    • CD II. 15.2. " Guerra! Guerra!

    Koor:
    Ja! Oorlog! Oorlog!
    Allen:
    Oorlog! Oorlog! Trek het zwaard, laten we ons haasten en in stelling gaan;laat de bliksem op hun tulband neerkomen, niemand mag ontsnappen.
    Arvino, Heremiet, dan koor:
    Reeds schitteren de heilige banieren als kometen van bloed en schrik.
    Arvino, Heremiet, dan allen:
    Reeds reikt de overwinning, op de vleugels van de wind, ons haar kroon aan!>

  • Terug naar boven


  • 3e Tafereel.
    De tent van Arvino. Na langdurig krijgsrumoer komt de Heremiet op ondersteund door Giselda en Arvino.

    • CD II. 16. Scena: "Questa è mia tenda"

    Arvino:
    Dit is mijn tent. Hier, ongelukkige, kun je je vermoeide lichaam neerleggen. Maar je zegt niets?
    Giselda:
    Ach wat een aanblik! Over zijn hele lichaam heeft hij wonden. Hij was de eerste die schreeuwend de muur beklom.
    Heremiet:
    Ga weg van mij! Wie ben je?
    Arvino:
    Kijk! Herinner het je! Je bent bij Arvino.
    Heremiet: naar zijn handen kijkend.
    Bij Arvino? Die naam! Ah Zwijg! Zwijg! Dit is ook het bloed van Arvino! Oh hel open je onder mijn voeten! Het is het bloed van onze vader!
    Arvino:
    Wat zeg je?
    Giselda:
    Kalmeer toch, kalmeer toch! Kijk je bent bij ons, bij het ongelukkige meisje dat jij gered hebt.
    Heremiet:
    Oh die stem! Oh wie verlicht mijn geest en opent mijn hart? Jij bent, jij bent mijn engel van vergiffenis!
    Arvino:
    Spreek, wie ben jij?
    Heremiet:
    Ik ben Pagano!
    Giselda, Arvino:
    Hemel! Wat hoor ik!

    • CD II. 17.1. "Un breve istante"

    Pagano:
    Er resteert me slechts nog een kort ogenblik in dit leven. O broer! Mijn ziel moet voor God verschijnen! Mijn straf is nu volbracht! Vervloek me niet!
    Giselda:
    Vader, je ziet hem sterven in Gods genade; zijn schuld is hem vergeven in de hemel.
    Pagano:
    Oh broer!
    Arvino: hij omarmt Pagano.
    Je hebt gewonnen, je hebt gewonnen!
    Giselda, Arvino:
    Ook de mens zal je vergeven.
    Pagano:
    Ik ben gelukkig! Sta me nu toe om nog een blik te werpen op de stad.
    De tent gaat open en men ziet Jeruzalem; op de muren, op de torens wapperen de banieren van de kruisvaarders, verlicht door de eerste stralen van de ochtendzon.
    Giselda:
    Ga gelukkige!
    Arvino:
    O Pagano!
    Pagano:
    Genadige God !
    Pelgrims, vrouwen, kruisvaarders:
    Wij prijzen U, grote God van de Viktori, wij prijzen u onoverwinnerlijke Heer! Gij bent de redding, de gids en de roem voor de dapperen die hun hart voor u openstellen.
    Pagano:
    Oh God! Wat een groot geluk acht gij de stervende moordenaar nog waardig!
    In zijn laatste uur herinnert gij u de man, die de wereld met verschrikkingen overdekte!
    Giselda:
    Ga gelukkige! Mijn gezegende verloofde, mijn moeder zul je bij de heer zien; zeg dat ze de dag, waar ik vurig naar verlang, moeten bespoedigen opdat mijn hart voor eeuwig bij hen zal zijn.
    Arvino:
    O Pagano! Moge de heer zijn genadige blikken op mijn zonden richten; net zoals in de laatste ogenblikken je broer, in zijn hart, jou vergeeft!
    Pagano:
    In zijn laatste uur herinnert gij u de man, die de wereld met verschrikkingen overdekte! Wij prijzen U.

    • CD II. 17.2. Inno finale: "Te lodiamo, gran Dio"

    Allen:
    Wij prijzen U, grote God van de Viktorie, wij prijzen U onoverwinnerlijke Heer, Gij bent de redding, de gids en de roem voor de dapperen die hun hart voor u openstellen.
  • Terug naar boven