Een korte versie van de opera Il Trovatore van Giuseppe Verdi.
De Troubadour
Tekst: Salvador Cammarano, naar het romantische drama van Antonio Garcia Giutiérrez' .
"El Trovador".
Premiere: 19-01-1853, Rome, Teatro Apollo.
Personen:
Graaf Luna,-bariton-
Leonora, hofdame -dramatische sopraan-
Inez, haar vertrouwde -comprimaria-
Manrico, De Troubadour -heldentenor-
Azucena, een zigeunerin -alt-
Ruiz, vriend van Manrico -tenore comprimario-
Ferrando, kapitein van Luna's wacht -bas-
een oude zigeuner, een bode, nonnen, dienaren, soldaten, zigeuners.
Aragon en Biscaye, vijftiende eeuw.
Eerste Akte
Eerste toneel.
Voorzaal in het kasteel Aliaferia, residentie van het Hof van Aragon. Een groep soldaten is op wacht, onder leiding van Ferrando. Om de tijd te korten vertelt deze de mannen de geschiedenis van de familie Luna (aria Abbietta Zingara). Jaren geleden werd de oudere broer van de huidige graaf door een zigeunerin geroofd en omgebracht. Het kind was ziek en men trof een oudere zigeunerin bij hem aan, die beweerde niets kwaads van zins te zijn. Zij werd echter op de brandstapel terechtgesteld, waarop haar dochter het kind roofde en op dezelfde plaats verbrandde.
Tweede toneel.
De tuin van het kasteel. De hofdame Leonora vertelt haar confidente Inez hoe zij op een toernooi een geheimzinnige ridder leerde kennen en liefhebben, die haar nu 's nachts serenades brengt (aria Tacea la notte placida, met cabaletta Di tale amor che dirsi). Hij doet dit ook deze nacht, achter de schermen (Deserto sulla terra), tot woede van zijn medeminnaar graaf Luna, die zich in de tuin verborgen heeft. Leonora ziet hem in het donker voor Manrico aan, en vliegt hem in de armen, juist als Manrico in de tuin verschijnt. Deze daagt de graaf tot een duel uit, dat plaats heeft als het doek valt (trio Di geloso amor sprezzato).
Tweede akte
Eerste toneel.
Een zigeunerkamp in de bergen van Biscaye, in de vroege morgen. De zigeuners maken zich gereed voor hun dagtaak, het beroemde zigeunerkoor zingend. Hun aanvoerster Azucena heeft visioenen terwijl zij in het kampvuur staart (aria Stride la vampa). Zij is de zigeunerin die indertijd het kind der Luna's geroofd heeft. Zij vertelt dit verhaal aan haar zoon Manrico, de troubadour uit de eerste akte, die bij haar genezing van zijn in het duel opgelopen verwonding gezocht heeft. In haar vertelling Condotta elléra in ceppi beschrijft zij hoe zij het kind roofde en verbrandde, maar hoe zij in haar geestesverwarring haar eigen kind in de vlammen gooide. Manrico is dus niet haar zoon, wie dan? Zij stelt hem gerust: zij is in de war en weet niet wat ze zegt. Op zijn beurt moet Manrico nu verslag uitbrengen over zijn lotgevallen (duet Mal reggendo all'aspro assalto). Azucena verwijt hem dat hij om onbegrijpelijke redenen het leven van graaf Luna, gespaard heeft. Een bode komt met de tijding dat Leonora, in de waan dat Manrico gedood is, in een klooster zal gaan. Manrico snelt heen om haar dit te beletten, ondanks de protesten van Azucena dat hij nog niet geheel van zijn wonden genezen is (duet Perigliarti ancor languente).
Tweede toneel.
Voor het klooster. Behalve Manrico heeft ook graaf Luna het plan opgevat Leonora's intrek daar te verhinderen. Op haar komst wachtend zingt hij de romantische aria Il balen del suo sorriso, gevolgd door de cabaletta met koor Per me ora fatale. Leonora nadert, uitgeleide gedaan door Inez. De graaf verspert haar de weg, maar plotseling verschijnt Manrico, die door Leonora eerst voor een geest wordt aangezien. Een gevecht dreigt te ontstaan tussen Manrico en Luna met diens volgelingen, maar nu verschijnt ook Ruiz met Manrico's soldaten ten tonele, die de kans doen keren, en de vlucht van zijn vriend met Leonora weten te dekken.
Derde akte
Eerste toneel.
Een legerkamp voor de vesting Castellor. Graaf Luna belegert de vesting waarin Manrico zich met Leonora bevindt. Soldaten korten de tijd met dobbelen (soldatenkoor Or co'dadi). In de Franse versi volgt hier een voor Parijs geschreven ballet, dat echter in alle Italiaanse opvoeringen wordt weggelaten. Een groep soldaten komt op met een gevangen zigeunerin die om het kamp zwierf. Het is Azucena, die door Luna en Ferrando wordt ondervraagd (Giorni poveri vivea). Zij verspreekt zich en wordt herkend als de moordenares van het kind en als de moeder van Manrico.
Tweede toneel.
Een zaal in het belegerde kasteel Castellor. Ondanks de benarde toestand treden Manrico en Leonora in het huwelijk. De eerste zingt zijn liefdesaria Ab si ben mio coll'essere. Een kort duetje met orgel wordt in vele opvoeringen gecoupeerd. Ruiz komt met het bericht van Azucena gevangenneming, en Manrico besluit een sortie te wagen om zijn moeder van de vuurdood te redden. Zijn soldaten hiertoe aanvurend besluit hij de akte met het stretta Di Quella pira, eindigend met een hoge c die Verdi niet heeft voorgeschreven.
Vierde akte
Eerste toneel.
De sortie heeft geen succes gehad en Manrico zit gevangen in een toren van het kasteel Aliaferia. Ruiz wijst Leonora het venster van zijn kerker en zij zingt de aria D'amor sull'ali rosee. Achter de schermen klinken de tonen van een miserere, en Manrico zingt uit zijn kerker een afscheidslied, dat door Leonora met ontroering wordt aangehoord (Miserere ab che la morte ognora). Zij besluit zich op te offeren en zo Manrico's leven te redden. Als de graaf haar komt zoeken doet zij hem het voorstel zijn vrouw te worden, mits hij Manrico in vrijheid stelt (duet Mira d'acerbe lagrime met stretta Vivra contende al giubilo). Zij besluit echter tijdig vergif in te nemen.
Tweede toneel.
De gevangenis waarin Manrico en Azucena verblijven. De eerste tracht zijn moeder moed in te spreken en zingt haar in slaap (duet Ai nostri monti). Leonora komt hem de tijding van zijn bevrijding brengen, maar als Manrico de prijs daarvan hoort verwijt hij haar deze ontrouw, terwijl de slapende Azucena in haar droom de melodie van het voorgaan duet herhaalt. Het gif begint echter te werken, en Leonora sterft in Manrico's armen, op het moment dat graaf Luna binnenkomt. Deze gebiedt Manrico direct ter dood te laten brengen. De ontwakende Azucena ziet dit door het venster, en deelt nu de graaf mee dat hij zijn eigen broer heeft laten doden, en dat haar moeder eindelijk gewroken is.