Giuseppe Verdi

Il Trovatore

Operatekst Nederlandse vertaling.

De Troubadour


  • 1e akte
  • 2e akte
  • 3e akte
  • 4e akte

  • De aanduiding: • (punt) met titel, verwijst naar de betreffende nummers van de dubbel c.d. van de Opera Il Trovatore uitgebracht door: Sony Music Entertainment Inc. 2001.


    1e akte: Het duel


    1e Tafereel:

    Ingang van het kasteel Aliaferia. Ferrando houdt met edellieden en soldaten de wacht.

    Eerste scène

    • CD I. 1. "All'erta All'erta!!"

    Ferrando:
    Ontwaakt! ontwaakt!
    Wakend moeten wij op de graaf wachten.
    Meestal dwaalt hij hele nachten rond de vertrekken van zijn geliefde.
    Koor van edellieden en soldaten:
    Van felle jaloezie is hij vervult.
    Ferrando:
    Met recht vreest hij de Troubadour, zijn grootste rivaal, wiens lied 's nachts in de tuinen weerklinkt.
    Koor:
    Vertel ons toch de ware geschiedenis van Garzia, de broeder van onze graaf, om de slaap te verdrijven.
    Ferrando:
    Ik zal het u vertellen. Komt allen om mij heen.
    Koor:
    Luister, luister!

    • CD I. 2. "Di due figli vivea padre beato"

    Ferrando:
    Gelukkig leefde eens de goede graaf Luna, vader van twee zonen.
    De trouwe voedster van de jongste sliep bij de wieg.
    Eens bij het aanbreken van de dag, toen zij de ogen opende, wie zag zij bij het kind?
    Koor:
    Wie? Vertel toch wie!
    Ferrando:
    Een gemene donkere zigeunerin, vol toverkracht keek naar het kind met grimmige angstaanjagende blik.
    In dodelijke angst slaakt de voedster een rauwe kreet, en ogenblikkelijk snellen de bedienden toe.
    Onder bedreigingen en slagen jagen zij de onverlaat weg, die het kasteel durfde binnendringen.
    Koor:
    Terecht wekte de oude heks hun toorn op.
    Ferrando:
    Zij beweerde dat zij de horoscoop van het kind wilde trekken....infame leugen!
    Een slopende koorts verwoestte de gezondheid van het ongelukkige kind.
    Bleek, kwijnend en afgemat, rilde het 's avonds van de koorts. De gehele dag hoorde men zijn geweeklaag. Het was betoverd!
    De heks werd achtervolgd, gegrepen en tot de brandstapel veroordeeld.
    Maar haar vervloekte dochter bleef in leven, en nam een vreselijke wraak.
    De laaghartigste daad beging zij: het kind was plotseling verdwenen, het vuur dat bijna uit was, rakelde wij weer op en op dezelfde plek waar de heks werd verbrand, vond men rokend nog, het halfverbrande gebeente van een kind.
    Koor:
    O, gruwelijke heks. Wat ge vertelt vervult ons met schrik en afgrijzen!
    En de vader?

    • CD I. 3. "E il padre?"

    Ferrando:
    Hij leefde nog slechts korte tijd.
    Maar een onbestemd gevoel zei hem, dat zijn zoon niet dood was.
    En toen hij zijn eind voelde naderen, bezwoer hij zijn overgebleven zoon, onze heer, de nasporingen niet te staken.
    Helaas, zij waren vergeefs.
    Koor:
    Hoorde men nooit meer iets van haar?
    Ferrando:
    Neen. niets, O, ware het mij gegeven, haar ééns op te sporen!
    Koor:
    Maar zoudt ge haar herkennen?
    Ferrando:
    In aanmerking nemende de jaren die verstreken zijn, Ja!
    Koor:
    Konden wij haar naar haar moeder, ter helle zenden!
    Ferrando:
    Ter helle?
    Men zegt dat de verloren ziel van de boze heks nog altijd ronddoolt op aarde en dat zij in duistere nachten aan de mensen verschijnt in velerlei gedaanten.

    • CD I. 4. "Sull'orlo dei tetti alcun l'ha veduta!"

    Koor:
    Dat is waar!
    Op de rand van het dak heeft iemand haar gezien.
    Soms verschijnt zij als een kerkuil.
    Anderen verschijnt zij als een raaf, vaker nog als een steenuil, als een pijl uit de boog vluchtend voor de dageraad.
    Ferrando:
    Een bediende van de graaf, die haar gelaat aanschouwde , stierf van angst. Hem verscheen zij in de gedaante van een uil in de rust van het stille vertrek.
    Met glinsterende ogen keek zei hem aan en vervulde de luvht met een helse kreet.
    Op dat ogenblik sloeg het middernacht....
    (het slaat middernacht)
    Allen: (in angst wegvluchtend)
    Ah! Vervloekt zij de helse heks!

    2e tafereel:

    • CD I. 5. "Che più t'arresti?"

    In de tuin van Leonora


    Eerste scène

    Leonora, Ines, haar kamenier,

    Ines:
    Waarom draalt ge?
    Het is reeds laat, kom.
    Ge weet toch de vorstin wenst u te spreken.
    Leonora:
    Weer een nacht zonder hem te zien....
    Ines:
    Ge koestert een gevaarlijke liefde! Vertel toch eens hoe en waar ge hem voor het eerst ontmoette?
    Leonora:
    Bij het tournooi. Hij verscheen, harnas, helm en schild zwart en zonder wapenschild, als een onbekende ridder.
    Zegevierend trad hij uit het strijdperk. Ik drukte de overwinnaar de krans op het hoofd..
    Daarna brak de burgeroorlog uit....nooit zag ik hem weer.
    de herinnering is mij als een vluchtig beeld uit een gouden droom. Lange tijd verstreek.... en toen...
    Ines:
    Spreek toch, hoe ging het?

    • CD I. 6. "Ascolta! Tacea la notte placida"

    Leonora:
    Luister.
    Stil en vredig was de nacht onder een flonkerende sterrenhemel.
    Een volle heldere maan goot haar zilveren licht over de aarde.
    Plotseling werd de nachtelijke stilte verbroken door de zachte en klagende klanken van een luit, terwijl een troubadour zwaarmoedige verzen zong, verzen die klonken als het gebed van de mens, die in ootmoed bidt tot God en waarin steeds een naam herhaald werd, mijn naam.
    Ik snelde naar het balkon...hij was het, hijzelf.
    Een vreugde, als slechts engelen gegeven is, doorstroomde mij.
    In vervoering zag ik de hemel zich openen.
    Ines:
    Uw woorden vervullen mij met onrust en vrees.
    Leonora:
    Een ijdele vrees!
    Ines:
    Een onzeker en bang voorgevoel wekt deze geheimzinnige man in mij op. Tracht hem te vergeten.
    Leonora:
    Wat zeg je? Zwijg!
    Ines:
    Luister naar de raad van een vriendin. Vergeet hem.

    • CD I. 7. "Di tale amor"

    Leonora:
    Hem vergeten? Voor een hart dat gegrepen werd door de liefde, bestaat het woord vergeten niet.
    Een onuitsprekelijke liefde, die alleen ik kan begrijpen, heeft mijn hart vervuld.
    Mijn lot kan zich slechts met het zijne voltrekken.
    Kan ik voor hem niet leven, dan zal ik voor hem sterven.
    (Zij gaan het kasteel binnen)

    Tweede scène:

    Graaf Luna komt op

    • CD I. 8. "Tace la notte!"

    Luna:
    Diepe stilte heerst alom.
    De vorstin is zeker al in slaap verzonken, maar haar kamenier waakt.
    O, Leonora, het licht van de nachtlamp zegt mij, dat je nog wakker bent. De vlam der liefde verteert mij elke vezel.
    Ik moet u zien, ge moet me gehoor schenken....
    ik kom....het grootste geluk wacht ons....(In de verte klinkt de luit van de Troubadour).
    De Troubadour! Ik sidder!

    • CD I. 9. "Il Trovator!...lo fremo!"

    De stem van de Troubadour:
    Verlaten ben ik op aarde,
    Gekweld door het harde lot.
    De enige hoop voor de Troubadour
    Is een hart in liefde ontbrand.
    Maar als dat hart De kuise liefde hem schenkt,
    Is machtiger dan enig koning
    De Troubadour.
    Luna:
    Hemel, de jaloezie verteert mij!....
    Ik vergis mij niet.... zij komt!

    Derde scène:

    Luna, later Manrico de Troubadour en Leonora.

    (Leonora komt uit het kasteel naar buiten en, misleid door de duisternis, werpt zij zich in de armen van Graaf Luna).
    Leonora:
    Mijn geliefde!
    Luna: (terzijde)
    Wat moet ik doen?
    Leonora:
    Het is reeds laat, vol angstig ongeduld telde ik de uren.
    Eindelijk wordt mijn verlangen gestild met uw liefde....
    De stem van de Troubadour:
    Trouweloze!

    Vierde scène:


    • CD I. 10. "Qual voce!"

    Leonora, Manrico, Luna.
    Leonora:
    Wiens stem is dat?
    (De maan komt uit de wolken, Manrico verschijnt met gesloten vizier. Leonora herkent hem en werpt zich aan zijn voeten.)
    Misleid door de duisternis meende ik u te herkennen, niet hem.... U naar wie mijn ganse ziel verlangt.
    Ik zweer het, U bemin ik met een eindeloze, eeuwige liefde!
    Luna: (tot Manrico)
    En jij waagt het!....
    Manrico:
    Meer wens ik niet.
    Luna:
    Mijn woede ontbrandt.
    Zo ge geen lafaard zijt, toon dan uw gelaat en maak uw naam bekend.
    Leonora:
    God, heb medelijden...
    Manrico:
    Slaat het vizier op
    Ziet, Manrico ben ik.
    Luna:
    Wat! Jij! Dwaas, roekeloze!
    Volgeling van Urgel, ter dood veroordeeld, waagt ge het hier te verschijnen!
    Manrico:
    Wat talmt ge nog? Vooruit, roep de wacht en lever de rivaal over aan het ijzer van de beul!
    Luna:
    Uw dood is nabij, waanzinnige, kom mee!
    Leonora:
    Graaf!
    Luna: (tot Manrico)
    Dat ik U doodt als offer van mijn woede!
    Leonora:
    Hemel, houdt op!
    Luna: (tot Leonora)
    Volg mij!
    Manrico:
    Vooruit!
    Leonora:
    Wat moet ik beginnen?
    Een enkele kreet van mij kan hem het leven kosten.
    Hoor naar mij!

    • CD I. 11. "Di geloso amor sprezzato"

    Luna:
    Neen!
    Door afgunstige liefde verteerd, brandt in mij een vreselijk vuur. Uw bloed, ellendeling, zal het spoedig blussen.
    (tot Leonora)
    En ge waagt het, hem uw liefde te bekennen? De dood wacht hem. Het woord dat u ontviel, betekent zijn doodvonnis.
    Leonora:
    Beheers uw woede tenminste een ogenblik en luister naar rede. Slechts ik ben de oorzaak van alles. Uw woede treffe mij, die u beledigde. Doorsteek dit hart, dat u niet wil en kan liefhebben!
    Manrico: (tot Luna)
    Uw hoogmoedige toorn is vergeefs.
    (tot Leonora)
    Door mijn zwaard zal hij vallen.
    (tot Luna):
    Zij die uw liefde opwekte, werd door mijn liefde overwonnen.
    Uw lot is reeds bepaald, uw uur heeft geslagen!
    Het noodlot legde uw leven en haar hart in mijn hand!
    (Met getrokken zwaarden gaan Luna en Manrico af. Leonora valt bewusteloos neer.)

  • Terug naar boven


  • 2e Akte: De zigeunerin


    1e Tafereel:

    Het kamp der zigeuners. Het is nacht. Azucena, Manrico en de zigeuners zitten rondom een vuur.


    Eerste scène

    Azucena, Manrico, Zigeuners.


    • CD I. 12. "Vedi! Le fossche notturne"

    Koor der zigeuners:
    Ziet, de hemel ontdoet zich van haar nachtelijke sluiers, gelijk een weduwe, die haar rouw aflegt.
    Aan het werk, vooruit! hamer!
    Wie brengt vreugde in het leven van de zigeuners?
    De zigeunerin.
    Schenk de bekers vol.
    De wijn geeft kracht en moed aan lichaam en ziel!
    Kijk hoe de zon schittert in de wijn!

    • CD I. 13. "Stride la vampa"

    Azucena: (te midden der zigeuners)
    Het vuur knettert, de woeste menigte loopt erheen, alsof het een feest was. Vreugdekreten weerklinken; een groep soldaten voert een vrouw met zich mee.
    Onheilspellend worden de wrede gezichten verlicht door de vlammen die tot aan de hemel stijgen.
    Het vuur knettert, het slachtoffer nadert in zwarte kleding, met loshangend haar en ongeschoeid....
    Een doodskreet weerklinkt, door de echo herhaald.
    Koor:
    Treurig is uw lied.
    Azucena:
    Ja, even treurig als het verschrikkelijke verhaal dat ge hoorde!
    Wreek mij! wreek mij!
    Manrico: (terzijde)
    Altijd weer dat geheimzinnige woord.
    Een zigeuner:
    Kameraden, de dag is aangebroken. Vooruit laten we naar het naburige dorp gaan om ons brood te verschaffen.
    Koor:
    Vooruit!
    Wie brengt vreugde in het leven der zigeuners?
    De zigeunerin.
    (De zigeuners trekken weg. Azucena en Manrico blijven alleen achter.)

    • CD I. 14. "Soli or siamo"

    Manrico:
    Wij zijn alleen. Vertel mij toch die treurige geschiedenis.
    Azucena:
    Ken je die niet? ook jij niet? Jij, wiens eerzucht overal bekend is?
    Het is de geschiedenis van het bitter einde van je grootmoeder.
    De trotse graaf beschuldigde haar van hekserij, waarvan een van zijn kinderen, naar men beweerde, het slachtoffer was.
    Verbrand werd zij, daar, waar dat vuur brandt.
    Manrico:
    O, ongelukkige!

    • CD I. 15. "Condotta ell'era in ceppi"

    Azucena:
    In boeien werd zij geslagen en geleid naar de plek, waar een vreselijk einde haar wachtte. Wenend volgde ik haar, mijn kind op de arm.
    Tenslotte trachtte ik bij haar te komen.... En vergeefs trachtte de ongelukkige te blijven staan en mij te zegenen.
    Want onder godslasteringen dreven de ellendelingen haar voort met stokken en joegen haar naar de brandstapel.
    Een vreselijke kreet slaakte zij: "Wreek mij! "Eeuwig zal dat woord in mijn hart weerklinken.
    Manrico:
    Heb je haar gewroken?
    Azucena:
    Het gelukte mij het kind van de graaf te roven....ik nam het met mij mee....hevig laaide de vlammen op....
    Manrico:
    De vlammen....hemel....dus....
    Azucena:
    Het kind barste in tranen uit en ik voelde mijn hart breken.
    Totdat plotseling, als in een droom, weer dat helse schrikbeeld verscheen: de soldaten.... de marteling.....mijn moeder met asgrauw gelaat..... ongeschoeid....met loshangende haren....die kreet.....altijd weer diezelfde kreet hoor ik: "wreek mij!"
    Krampachtig strek ik de hand uit, omklem het slachtoffer, sleep het naar het vuur en werp het erin. Het vreselijke visioen verdwijnt, het schrikbeeld vervluchtigt, alleen het vuur vlamt op en verteert zijn prooi.
    Maar dan, opkijkend, zie ik plotseling het kind van de graaf voor mij.... mijn zoon, mijn zoon, mijn eigen zoon had ik verbrand!....
    Manrico:
    Wat zeg je? Afschuwelijk!
    Azucena:
    Nog voel ik mij de haren te berge rijzen....

    • CD I. 16. "Non son tuo figlio"

    Manrico:
    Maar ben ik dan je zoon niet? Wie ben ik dan, zeg op!
    Azucena:
    Natuurlijk ben je mijn zoon!
    Manrico:
    Maar je zei toch....
    Azucena:
    Inderdaad. maar wat wil je? Toen ik mij dat afschuwelijke beeld weervoor ogen haalde, zei ik in mijn verwarring onzinnige dingen. Was ik niet als een moeder voor je, die je met tedere zorg omringde?
    Manrico:
    Ik zou het niet durven ontkennen!
    Azucena:
    Heb je het niet aan mij te danken, dat je nog in leven bent?
    Begaf ik mijn niet 's nachts op de slagvelden van Pelilla om je te begraven, daar het gerucht verbreid was, dat je gesneuveld was? Wekte in mij de wijkende levensgeesten niet weer op, omringde ik je niet steeds met moederlijke zorgen?
    En wat deed ik niet, om je van je wonden te genezen?
    Manrico:
    De wonden die ik kreeg hier in mijn borst, op die noodlottige dag. Geheel alleen, in de steek gelaten door mijn soldaten, daagde ik de vijand nog uit. De gemene Luna stortte zich op mij met zijn troep; ik viel, als een held echter viel ik.
    Azucena:
    Dat was zijn dank, omdat je hem op onverklaarbare redenen spaarde in het duel. Hoe kon je zo verblind zijn?
    Een onbegrijpelijk medelijden!

    • CD I. 17. "Mal reggendo all'aspro assalto"

    Manrico:
    O moeder, mijzelf is het een raadsel:
    Mijn hevige aanval kon hij niet weerstaan, reeds viel hij ter aarde: het zwaard had ik reeds geheven om hem te doorboren.... toen een innerlijke drang mijn hand weerhield....en een verkilling mij plots deed verstarren, terwijl van de hemel een stem weerklonk die tot mij zei: "Niet doden".
    Azucena:
    Maar tot hem sprak geen geest uit de hemel! O, als het lot je nog eens tegenover die vervloekte mocht stellen, volvoer dan, mijn zoon, mijn verlangen, als ware het God's wil.
    Tot aan het gevest doorbore dit lemmet dat onmenselijke hart.
    (een hoornsignaal weerklinkt).

    • CD I. 18. "L'usato messo Ruiz invia"

    Manrico:
    Daar is de bode weer, die Ruiz mij zendt.Wat zou hij brengen....
    Azucena:
    Wreek mij!
    (De bode komt op)

    Tweede scène

    Azucena, Manrico, de bode.

    Manrico: (tot de bode)
    Kom nader.
    Wat voor nieuws breng je van de strijd?
    Bode:
    (Manrico een brief overhandigend):
    In deze brief vindt ge het vermeld.
    Manrico: (leest)
    "In ons bezit is het Castellor. Haast u zo snel mogelijk hierheen.
    Vanavond, misleid door het gerucht van uw dood, zal Leonora in het naburige Kruisklooster de sluier aannemen".
    O, hemel!
    Azucena:
    Wat is er?
    Manrico: (tot de bode)
    Snel, daal af naar de vlakte en breng een paard voor mij in gereedheid.
    Bode:
    Ik snel erheen.
    Azucena:
    Manrico!
    Manrico:
    De tijd dringt. Vlug, wacht mij aan voet van de rotsen.
    (De bode gaat af).
    Azucena:
    Wat hoop je? Wat wil je?
    Manrico:
    Haar verliezen! Een dodelijke angst bekruipt mij.
    Die engel verliezen!
    Azucena:
    Hij is buiten zichzelve.
    Manrico:
    Vaarwel!
    Azucena:
    Neen, blijf, luister naar mij!
    Manrico:
    Laat mij gaan!
    Azucena:
    Blijf. Ik ben het die tot je spreekt!
    Nog niet van je wonden genezen, wil je je reeds wagen op deze woeste en eenzame weg?
    Waanzinnige, je wonden, nauwelijks geheeld, wil je weer openrijten? Neen, dat verdraag ik niet, jouw bloed is mijn bloed. Niet jouw bloed vergiet je, maar het mijne!
    Manrico:
    Een enkel ogenblik kan mij mijn heil, mijn hoop doen verliezen. Neen, weet dat hemel noch aarde mij kunnen weerhouden.
    Moeder, laat mij gaan! Wee u als ge mij weerhoudt.
    Uw zoon zoudt ge van smart zien verteren!
    (Manrico snelt heen. Azucena tracht vergeefs hem te weerhouden).

    2e Tafereel:

    Graaf Luna, Ferrando en soldaten bij de ingang van het Kruisklooster.

    Eerste scène


    • CD I. 19. "Tutto è deserto"

    Luna:
    Eenzaam en verlaten is alles. Nog weerklinkt het bekende lied niet door de avondstilte. Op tijd ben ik gekomen.
    Ferrando:
    Een gewaagde onderneming, heer.
    Luna:
    Gewaagd? Noemt ge gewaagd, wat een grote liefde en getergde trots van mij verlangen? Mijn rivaal was gevallen en daarmee, naar het scheen, elke hinderpaal die mijn wensen nog in de weg stond. Maar een ander en grotere moeilijkheid doemt op.... het altaar!
    Neen, geen ander zal Leonora toebehoren. Leonora is mijn!

    • CD I. 20. "Il balen del suo sorriso"

    De glans van haar glimlach
    Is sterker dan die der sterren.
    Haar stralend gelaat
    Geeft mij nieuwe moed.
    De liefde die mij verteert,
    moge mijn tolk zijn bij haar.
    Moge de zon met haar glans
    De storm uit mijn hart verdrijven.
    (De klok van het klooster wordt geluid.)
    Wat is dat....o, hemel!

    • CD I. 21. "Qual suono!...Oh ciel!"

    Ferrando:
    De klok kondigt de Heilige dienst aan.
    Luna:
    Voor zij naar het altaar gaat, moet ik haar ontvoeren.
    Ferrando:
    Pas toch op!
    Luna:
    Zwijg! ik luister niet! ga heen!
    Verberg je daar in de duisternis.
    (Ferrando en zijn soldaten verbergen zich)
    Dadelijk zal zij mij toebehoren. Een hevige gloed verteert mij.
    Ferrando en koor der soldaten:
    Vooruit, laten we ons verbergen in de duisternis.
    Wees stil. Zijn verlangen worde vervuld.
    Luna:
    Noodlottig uur. snel heen; de vreugde die mij wacht, is geen ijdele vreugde. Tevergeefs snelt het noodlot zich teweeer tegen mijn liefde.
    Zelfs geen God kan mij haar ontroven.
    (Hij trekt zich in de duisternis terug).

    • CD I. 22. "Ah! se l'error t'ingombra"

    Koor der Nonnen:
    Al moge de dwaling uw ogen verduisteren,
    O, dochter van Eva,
    In uw stervensuurs zult ge zien
    dat alles slechts een schaduw was, een droom,
    en alle aardse hoop
    Slechts een vluchtige droom.
    Kom de sluier onttrekke u
    aan de ogen der mensen.
    Op deze plaats
    dringt geen wereldse gedachte meer door.
    Wend u tot God,
    en de hemel zal zich voor u openen.
    (Leonora komt op met Ines.)

    Tweede scène

    Leonora, Ines, daarna Luna, Ferrando, soldat en Manrico.

    Leonora:
    Waarom weent ge?
    Ines:
    Dus voor immer gaat ge ons verlaten?
    Leonora:
    Lieve vriendin, voor mij heeft de wereld geen glimlach meer, geen hoop en geen vreugde. Tot God wende ik mij, de enige toevlucht voor de verdrukten. Eens zal Hij mij, na de loutering, terugbrengen naar mijn verloren heil, temidden der uitverkorenen.
    Droog je tranen en geleid mij naar het altaar.
    Luna: (plotseling tevoorschijn komend)
    Neen, nimmer!
    Koor der nonnen:
    De Graaf!
    Leonora:
    Hemel!
    Luna:
    Voor u bestaat slechts het huwelijksaltaar!
    Koor der nonnen:
    Wat een vermetelheid!
    Leonora:
    Dwaas! Ge kwaamt hier?....
    Luna:
    Om u tot de mijne te maken!
    (Manrico verschijnt plotseling).

    • CD I. 23. "E deggio... e posso crederlo?"

    Leonora: (Manrico ziende)
    Het is niet te geloven. U zie ik hier naast mij?
    Wat voor droom is dit, een visioen, een geweldige betovering: Zoveel vervoering overweldigt mijn verrukte hart! Zijt gij neergedaald uit de hemel, of heeft de hemel zich voor mij geopend?
    Luna:
    Dus de doden verlaten hun eeuwige rijk?
    Tot mijn schade doet de hel afstand van zijn prooi?
    Maar als dan nooit uw levensdraad verbroken werd, als ge nog leeft en uw leven u lief is, laat dan af van haar en vlucht weg van mij.
    Manrico:
    Niet uit de hemel kom ik, noch uit de poort der hel. Dodelijke slagen brachten de bandieten mij toe, dat is waar. Maar onweerstaanbaar zijn de golven der stromen.
    God straft de boosaardigen. Maar mij is deze God tot een steun!
    Ines en koor der nonnen, (tot Leonora):
    De hemel, waarin ge uw vertrouwen stelde, erbarmde zich over u.
    Ferrando en koor der soldaten: (tot Luna)
    Ge verzette u tegen het noodlot dat hem beschermde.
    (Ruiz komt op, gevolgd door zijn soldaten).

    Derde scène

    De vorigen, Ruiz.

    Ruiz en soldaten: Lever Urgel!
    Manrico:
    Mijn dappere krijgers.
    Ruiz:
    Ga mee.
    Manrico:
    Leonora volg mij.
    Luna: (zich teweerstellend)
    Wat hoopt ge nog?
    Manrico: (tot Luna)
    Terug!
    Luna:
    Mij haar ontroven? Nimmer!
    (Luna trekt zijn zwaard.)
    Ruiz en soldaten: (tot Luna)
    Waanzinnige!
    Ferrando:
    Wat waagt ge nog, heer?
    Luna:
    Ik ben buiten mijzelf!
    Leonora:
    De angst bekruipt mij.
    Luna:
    De woede overmant mij.
    Ruiz en soldaten: (tot Manrico)
    Het geluk lacht u toe.
    Ferrando en soldaten: (tot Luna)
    Geef u over, toegeven is geen lafheid.
    (Luna wordt door Ruiz en zijn soldaten ontwapend).
    De vrouwen vluchten in het klooster. Manrico trekt zich met Leonora terug op Castellor.)

  • Terug naar boven


  • 3e Akte: De zoon van de zigeunerin.



    1e tafereel:

    Legerplaats van Graaf Luna voor het belegerde Castellor. Soldaten dobbelen en kijken hun wapens na.

    Eerste scène

    Ferrando, soldaten.


    • CD II. 1. "Or co dadi, ma fra poco"

    Koor der soldaten:
    Nu spelen wij met dobbelstenen maar binnenkort zullen wij een ander spel spelen. Dit staal dat nu schoon is, zal spoedig met bloed besmeurd zijn.
    (een groep soldaten trekt voorbij).
    Dat zijn de hulptroepen. Wat zien zij er krijgshaftig uit.
    Nu zal de aanval op Castellor wel spoedig inzetten.
    Ferrando:
    Ja, wakkere vrienden, het plan van de aanvoerder is, bij het aanbreken van de dag de burcht van alle kanten aan te vallen. Ongetwijfeld wacht ons daar een rijke buit, meer dan wij durven hopen.
    Aan ons de overwinning!
    Koor:
    Wij volgen u in de strijd. Laat de trom weerklinken en ons te wapen roepen tot de aanval van de slag; morgen zullen wij het vaandel op de top van die tinnen planten. Neen, nog nooit lachte een schoner overwinning ons toe.
    Ferrando en soldaten trekken weg, Luna komt op uit zijn tent).

    Tweede scène

    Luna


    • CD II. 2. "In braccio al mio rival!"

    Luna:
    Leonora in de armen van mijn rivaal. Deze gedachte vervolgt mij overal als een duivelse kwelling. Maar zodra de dag aanbreekt, ijl ik heen om hen te scheiden. O, Leonora!....
    (Ferrando komt ijlings op).

    Derde scène

    Luna, Ferrando

    Luna:
    Wat is er?
    Ferrando:
    Bij het kamp zwierf een zigeunerin rond
    Verrast door onze wacht nam zij de vlucht.
    Met recht meenden zij in haar een spionne te zien.
    Zij vervolgden haar.....
    Luna:
    Haalden zij haar in?
    Ferrando:
    Zij werd gevangen genomen.
    Luna:
    Zag je het zelf?
    Ferrando:
    Neen, maar de aanvoerder van de wacht vertelde het mij. Daar is zij!
    (De soldaten komen op met Azucena in het midden).

    Vierde scène

    Luna, Ferrando, Azucena, en soldaten).

    Koor der soldaten:
    Vooruit heks!
    Azucena:
    Help! Laat me los! Waanzinnigen! Wat voor kwaad deed ik?
    Luna:
    Kom naderbij....antwoord mij.... zonder leugens.
    Azucena:
    Wat wilt ge weten?
    Luna:
    Waar ga je heen?
    Azucena:
    Ik weet het niet.
    Luna:
    Wat?
    Azucena:
    Een zigeuner weet nooit waar de volgende dag hem brengen zal. Hij zwerft rond, de hemel is zijn dak en de wereld zijn vaderland.
    Luna:
    En waar kom je vandaan?
    Azucena:
    Uit Biscaje, waar tot nog toe de onherbergzame bergen mij een schuilplaats boden.
    Luna:
    Uit Biscaje?
    Ferrando: (terzijde)
    Wat hoor ik? Dat is verdacht....

    • CD II. 3. "Giorni poveri vivea"

    Azucena:
    In armoede maar tevreden
    Bracht ik mijn dagen door.
    Mijn enige hoop was mijn zoon,
    Maar hij verliet mij, de ondankbare vergat mij.
    Eenzaam en verlaten zwerf ik rond.
    Overal zoek ik mijn zoon, die mij zoveel verdriet aandeed.
    Geen moeder op aarde heeft haar zoon lief
    Als ik de mijne.
    Ferrando: (terzijde)
    Dat gezicht!....
    Luna:
    Zwierf je lang door het gebergte?
    Azucena:
    Ja, lange tijd.
    Luna:
    Kan je je niet herinneren, dat aan de oude graaf Luna een kind ontroofd werd uit zijn kasteel?
    Het is reeds vijftien jaar geleden.
    Azucena:
    En gij.... spreek.... gij zijt?....
    Luna:
    De broeder van het gestolen kind.
    Azucena:
    Ah!
    Ferrando (haar herkennend): Ja!
    Luna:
    Hoorde je ooit iets van dat kind?
    Azucena:
    Ik? Neen,. maar laat mij trachten hem op te sporen.
    (zij wil heengaan).
    Ferrando: (haar tegenhoudend)
    Blijf ellendige!
    Azucena:
    Hemel!
    Ferrando: (tot Luna)
    Begrijpt gij niet, dat zij die afschuwelijke daad beging?
    Luna:
    Ga door....
    Ferrando:
    Zij is het....
    Azucena: (tot Ferrando)
    Zwijg!
    Ferrando
    Zij is het die het kind verbrandde.
    Luna:
    Ah! Gemene heks!
    Koor:
    Zij is het!
    Azucena:
    Hij liegt!
    Luna:
    Je straf ontloop je niet.
    Azucena:
    God!
    Luna:
    Bindt haar nog steviger!
    Azucena:
    Oh, God!
    Koor:
    Huil maar!
    Azucena:
    En jij Manrico mijn zoon, je komt niet?
    Je komt je ongelukkige moeder niet te hulp?
    Luna:
    Dus de moeder van Manrico....
    Ferrando:
    Je angst laat mij koud.
    Luna:
    Het noodlot geeft haar in mijn hand.

    • CD II. 4. "Deh! rallentate, o barbari"

    Azucena:
    Ah! Barbaren maak mijn boeien losser, deze wrede marteling is erger dan de dood.
    (tot Luna) Van de slechte vader zijt gij de nog slechtere zoon. God is voor de verdrukten en God zal u straffen.
    Luna:
    Door jou te martelen, gemene zigeunerin, tref ik je zoon in het hart. Een onuitsprekelijke vreugde vervult mij. De dood van mijn broeder zal nu volledig gewroken worden.
    Ferrando en soldaten:
    Spoedig zal je de brandstapel aanschouwen, en niet alleen jij zal hier verbrand worden. Het hellevuur zal je een eeuwige brandstapel zijn. Daar zal je ziel boeten en branden.
    (De soldaten nemen Azucena met zich mee.Luna gaat met Ferrando zijn tent binnen).

    2e Tafereel:

    Een zaal in Castellor.

    Eerste scène

    Leonora, Manrico en Ruiz.


    • CD II. 5. "Quale d'armi fragor poc'anzi intesi?"

    Leonora:
    Wat is dat voor krijgsrumoer?
    Manrico:
    Een groot gevaar bedreigt ons. Waarom het nog langer te verzwijgen. Bij het aanbreken van de dag wordt de aanval op ons ingezet.
    Leonora:
    Hemel, wat zeg je?
    Manrico:
    Maar onze vijanden zullen wij overwinnen. Evenals zij zijn wij met moed, kracht en vuur bezield. (tot Ruiz). Ga heen. Tijdens mijn korte afwezigheid belast ik u met de leiding der krijgsverrichtingen. Laat er niets aan ontbreken. (Ruiz af).

    Tweede scène

    Leonora, Manrico en Ruiz.

    Leonora:
    Een donkere schaduw verduistert ons geluk.
    Manrico:
    Liefste, ban dit bange voorgevoel uit uw hart.
    Leonora:
    Hoe zou ik dat kunnen?

    • CD II. 6. "Ah sì, ben mio"

    Manrico:
    Niets staat in dit ogenblik onze liefde meer in de weg. De zekerheid dat wij onverbrekelijk verbonden zijn, maakt mijn hart onversaagd en mijn arm sterk.
    Maar mocht in mijn levensboek geschreven staan, dat ik door de hand van de vijand moet vallen, dan zal mijn laatste gedachte naar u uitgaan en zelfs de dood zal ons niet scheiden.
    (uit een naburige kapel klinken orgeltonen)

    • CD II. 7. "L'onda de'suoni mistici"

    Leonora en Manrico:
    Ontroerende klanken dringen in mijn hart.
    Laat ons de vreugde van de zuivere liefde genieten.
    (Ruiz komt haastig op).
    Ruiz:
    Manrico!
    Manrico:
    Wat is er?
    Ruiz:
    De zigeunerin....Kom snel.... in de boeien.....kijk.... De barbaren hebben de brandstapel reeds aangestoken.
    Manrico:
    God, ik sidder over al mijn leden. Het wordt mij zwart voor de ogen.
    Leonora:
    Je siddert?....
    Manrico:
    Zou ik niet....weet dan....ik ben....
    Leonora:
    Maar wie dan?

    • CD II. 8. "Di quella pira"

    Manrico:
    Haar zoon! O schurken....dit vreselijke beeld....beneemt mij....de adem.
    (tot Ruiz) Verzamel onze soldaten, haast je Ruiz, snel, ijl heen.
    (Ruiz af) Het is of het vreselijk vuur van die brandstapel mij elke vezel verbrandt. Dooft het uit, booswichten, of ik zal het doven met uw bloed. Met u, moeder was ik altijd verbonden. Uw martelingen verdraag ik niet. Ongelukkige, ik snel u te hulp ook al moest ik met u sterven.
    (Manrico snelt weg).

  • Terug naar boven


  • 4e Akte: De berechting.



    1e tafereel:

    Een vleugel van het kasteel Aliferia met de wachttoren. In de kerker van de toren bevinden zich Azucena en Manrico.

    Eerste scène

    Leonora en Ruiz.


    • CD II. 9. "Siam giunti; ecco la torre"

    Ruiz:
    Hier is de kerker waar de gevangenen smachten,
    Hierheen werd de ongelukkige gebracht.
    Leonora:
    Ga heen. Laat mij alleen. Heb voor mij geen vrees.
    Misschien zal ik hem kunnen redden.
    (Ruiz af)
    Zou ik vrezen voor mijzelf?
    Snel en afdoend werkt het vergif.
    (zij beziet een ring aan haar vinger waarin vergif verborgen is).
    Midden in de donkere nacht bij ik bij u en ge weet het niet.

    • CD II. 10. "D'amor sull'ali rosee"

    Moge de nachtwind u mijn droeve klacht overbrengen.
    Stille klacht der liefde, snel heen naar de gevangene en sterk de benarde ziel, verkwik hem met nieuwe hoop. Wek de herinnering in hem op aan dromen der liefde, maar vertel hem niet van de angst van mijn hart.
    (Uit het klooster klinkt de zang der monniken en de doodsklok wordt geluid).

    • CD II. 11. "Miserere d'un'alma già vicina"

    Koor der Monniken:
    God heb medelijden met een ziel, die over enkele ogenblikken daar heengaat, vanwaar geen weg terug is. Moge uw liefde sterker zijn dan de folteringen der hel.
    Leonora:
    Wat hoor ik, welke plechtige rampzalige gebeden stijgen op als een duister schrikbeeld. De angst bekruipt mij, hij beneemt me de adem en doet me het hart stilstaan.
    Het is, alsof de dood met donkere vleugels zweeft over die vreselijke toren. Dat toch de kerkerpoort zich opene, voor de dood zijn werk heeft volbracht.
    Manrico: (uit de kerker)
    Slechts node komt de dood daar, waar naar hem verlangd wordt. Vaarwel Leonora!.
    Leonora:
    Ik voel mij mijn krachten ontzinken.
    Manrico: (uit de kerker)
    Onze liefde boet ik met mijn leven.
    Vergeet mij niet Leonora, vaarwel!

    • CD II. 12. "Tu vedrai che amore in terra"

    Leonora:
    Weet dat op aarde geen liefde sterker is dan de mijne. Zoals zij het noodlot in harde strijd overwon, zo zal zij de dood overwinnen. Met de prijs van mijn leven zal ik uw leven redden. Voor eeuwig met u verenigd, zal ik afdalen in het graf.
    (Luna met gevolg komt op. Leonora verbergt zich).

    Tweede scène

    Luna, Leonora

    • CD II. 13. "Udiste? Come albeggi"

    Luna: (tot zijn gevolg).
    Hebt ge het gehoord? Als de dag aanbreekt, zal de zoon vallen onder de bijl en de moeder zal naar de brandstapel geleid worden. (Gevolg af.)
    Of zou ik toch de macht misbruiken, die de vorst mij gegeven heeft.
    Daartoe bracht ge mij fatale vrouw.
    Waar mag zij toch zijn? Nadat Castellor heroverd was hoorde ik niets meer van haar en alle nasporingen waren tevergeefs. Meedogenloze, waar zijt ge?
    Leonora: plotseling naar vore tredend).
    Hier, bij u!
    Luna:
    Wat wiens stem is dat? Vrouw, gij!
    Leonora:
    Inderdaad.
    Luna:
    Wat zoekt ge hier?
    Leonora:
    (Naar de kerker wijzend waar Manrico gevangen zit).
    Het uur van zijn dood is reeds nabij en ge vraagt nog?
    Luna:
    Gij waagt het...
    Leonora:
    Ja, voor hem bid ik om genade.
    Luna:
    Wat? Ge spreekt wartaal! Ik medelijden gevoelen voor mijn rivaal?
    Leonora:
    Moge uw God een God van medelijden zijn.
    Luna:
    Mijn God is een God van wraak. Ga heen!

    • CD II. 14. "Mira, di acerbe lagrime"

    Leonora: valt in wanhoop voor hem neer).
    Zie, ik die schuldig ben, stort bittere tranen aan uw voeten. Kan ik u niet vermurwen? Dood mij, neem mijn bloed, mijn leven, maar red de Troubadour!
    Luna:
    Liever zijn lot nog verzwaren, liever zijn stervenspijn verhonderdvoudigen. Hoe groter uw liefde voor hem, hoe heftiger mijn woede ontbrandt.

    • CD II. 15. "Conte!" - "Nè cessi?"

    Leonora: Graaf!
    Luna:
    Uw smeken is tevergeefs.
    Leonora:
    Genade!
    Luna:
    Tot geen enkele prijs.Ga weg van hier.
    Leonora:
    Een prijs bied ik u....
    Luna:
    Welke zeg op.
    Leonora:
    Mijzelf...
    Luna:
    Wat zegt ge?
    Leonora:
    En mijn belofte zal ik nakomen.
    Luna:
    Is dit een droom?
    Leonora:
    Ontsluit de kerkerpoort, opdat ik hem zeggen kan dat hij kan gaan van hier, en ik behoor u toe.
    Luna:
    Gij zweert het?
    Leonora:
    Ik zweer het bij God, die mijn gehele ziel kent.
    Luna:
    Wachters!
    (De wacht treedt naar voren, en terwijl Luna hem zijn besluit meedeelt, Manrico vrij te laten, neemt Leonora heimelijk het vergif in dat in haar ring verborgen is.)
    Leonora: terzijde:
    Ge zult mij bezitten, maar als een dode.

    • CD II. 16. "Vivrà... Contende il giubilo"

    Luna: terugkerend:
    Hij zal leven.
    Leonora:
    Hij zal leven! De vreugde beneemt mij elk woord, maar mijn hart, God verraadt u mijn dank. Vervuld van vreugde wacht ik nu zonder vrees de dood af. Stervend zal ik hem nog kunnen zeggen dat hij door mij gered is.
    Luna:
    Wat spreekt ge toch? Zeg het mij nog eens, uw woorden van zo-even lijken mij een droom toe. Mij behoort ge! Herhaal het en schenk rust aan dit hart. Nauwelijks kan ik het geloven, zou ik het niet van uzelf horen.
    Leonora:
    Laten we gaan.
    Luna:
    Ge hebt het gezworen....denk aan uw eed!
    Leonora:
    Mijn belofte doe ik gestand!
    (zij gaan naar de kerker).

    2e tafereel:

    De kerker waar Azucena en Manrico gevangen zitten.

    Eerste scène

    Azucena, Manrico

    • CD II. 17. "Madre, non dormi?"

    Manrico:
    Moeder slaap je niet?
    Azucena:
    Steeds weer trachtte ik de slaap te vatten, maar vergeefs. Ik bid tot God.
    Manrico:
    Is het de vochtige kille lucht die u hindert?
    Azucena:
    Neen, ontvluchten wil ik slechts dit graf der levenden, want de lucht hier doet mij stikken.
    Manrico: (wanhopig Ontvluchten!
    Azucena:
    Maak je geen zorgen, mij zullen de beulen niet kunnen pijnigen.
    Manrico:
    Wat?
    Azucena:
    Zie je dan niet dat het teken des doods reeds op mijn voorhoofd geschreven staat?
    Slechts een lijk zullen zij vinden, een geraamte.
    Manrico:
    Houd op!
    Azucena:
    Hoor je het niet....daar komt iemand aan, het zijn de beulsknechten die mij naar de brandstapel willen brengen. Bescherm je moeder!
    Manrico:
    Wees gerust, niemand komt hier.
    Azucena:
    De brandstapel!....vreselijk woord!
    Eens voerde een woeste menigte je grootmoeder naar de brandstapel.
    (als in een visioen). Zie je die vreselijke gloed? Zij is het vuur genaderd, het haar heeft al vlam gevat.
    Zie je haar uitpuilende ogen? Ah, wie ontneemt mij ooit dat vreselijke schrikbeeld!
    Manrico:
    Als je nog van mij houdt, luister dan naar de stem van je zoon en zoek vergetelheid en rust in de slaap.

    • CD II. 18. "Sì, la stanchezza m'opprime, o foglio"

    Azucena:
    Ja, de moeheid overmant mij, laat de rust over mij komen. Maar zodra het vuur van de brandstapel opvlamt, wek mij dan.
    Manrico:
    God geve u rust en verdrijve deze sombere gedachten uit uw hart.
    Azucena: (In half wakende toestand)
    Naar de bergen zullen we terugkeren. De vrede van weleer zullen wij daar genieten jij zult weer op je luit spelen en een ongestoorde slaap zal mij verkwikken. Manrico:
    Slaap rustig moeder, ik bid tot God.
    (Azucena slaapt in. Leonora treedt binnen).

    Tweede scène

    Leonora, Azucena, Manrico, later Luna).


    Manrico:
    Wat! Wie zie ik daar in het halfdonker.
    Leonora:
    Ik ben het Manrico. Mijn Manrico!
    Manrico:
    Mijn Leonora? God vergunt mij zo'n vreugde, voor ik sterf.
    Leonora:
    Gij zult niet sterven. Ik kom u redden.
    Manrico:
    Hoe kan dat mij redden? Dat is onmogelijk.
    Leonora:
    Vaarwel! Verlies geen ogenblik, haast u, ga heen!
    Manrico:
    Zonder u?
    Leonora:
    Ik moet hier blijven....
    Manrico:
    Hier blijven?
    Leonora:
    Vlucht!
    Manrico:
    Neen.
    Leonora:
    Ga toch snel, uw leven....
    Manrico:
    Veracht ik! Maar zie mij aan:
    Wie schonk u mijn leven en tot welke prijs?
    (Leonora zwijgt).

    • CD II. 20. "Parlar non vuoi?...Balen tremendo!"

    Gij wilt het niet zeggen? Welke slag treft mij?
    Het wordt mij duidelijk: aan mijn rivaal heb ik mijn leven te danken. Ha! je liefde aan die ellendeling verkocht, je hart, dat mij trouw zwoer.
    Leonora:
    Hoe onrechtvaardig is uw toorn, hoe verblind en wreed zijt gij. Houd op, vlucht of ge zijt verloren en zelfs de hemel kan u dan niet meer redden.
    Azucena: (half in slaap).
    In de bergen zullen wij terugkeren etc.

    • CD II. 21. "Ti scosta!" - Non respingermi..."

    Manrico: (tot Leonora)
    Ga weg van hier.
    Leonora:
    Neen, verstoot mij niet. Ziet ge het niet?
    Mijn krachten begeven mij.
    Manrico:
    Ga heen, ik veracht u, ik vervloek u.
    Leonora:
    Manrico hoor naar mij. Op dit uur zult ge mij niet vervloeken, maar voor mij bidden tot God.
    Manrico:
    Een angstig voorgevoel bekruipt mij!
    Leonora:
    Manrico! (zij zinkt ter aarde).
    Manrico:
    (Haar te hulp snellend) God! vertel mij alles.
    Leonora:
    Ik draag de dood in het lichaam.
    Manrico:
    De dood!
    Leonora:
    Het vergif werkt sneller dan ik dacht.
    Manrico:
    O hel!
    Leonora:
    Voel mijn hand, ijskoud, maar hier (op haar borst wijzend) brand een vuur....
    Manrico:
    Hemel wat deed gij?

    • CD II. 22. "Prima che d'altri vivere"

    Leonora:
    Boven het leven met een ander verkoos ik de dood.
    Manrico:
    En ik dwaas, kon die engel vervloeken!
    Leonora:
    Ik kan niet meer, het ogenblik is gekomen...ik sterf....Manrico.
    (Luna treedt binnen en begrijpt de toedracht).
    God uw genade smeek ik af.
    Luna: (terzijde)
    Dus mij wilde zij bedriegen en voor hem sterven.
    Leonora:
    Vaarwel, ik sterf. (zij sterft).
    Luna:
    (tot de wacht op Manrico wijzend) Breng hem naar de brandstapel.
    Manrico:
    (terwijl hij weggeleid wordt, tot Azucena).
    Moeder, vaarwel.
    Azucena:
    Manrico!....Waar is mijn zoon?
    Luna:
    Die gaat zijn dood tegemoet.
    Azucena:
    Houdt hem tegen! Luister naar mij.
    Luna:
    (uit het venster wijzend) Zie je dat?
    Azucena:
    Hemel!
    Luna:
    Hij is dood.
    Azucena:
    Hij was uw broeder! Moeder gij zijt gewroken....
    Luna:
    O verschrikking.... en ik leef nog....

    Einde.
  • Terug naar boven