|
Giuseppe Verdi |
|
Verdi's artistieke en politiek betrokken leven
Na de grote veranderingen begin 1800, waaronder de bezetting door de Fransen en hun meegebrachte denkbeelden van de Franse Revolutie, begon in 1815 de restauratie. Het Lombardisch-Venetiaans Koninkrijk (het gebied tussen Milaan en Venetië) werd onder de direct Oostenrijkse soevereiniteit geplaatst. Maar het verzet tegen de bestaande orde in geheel Italië bleef en het liberalisme kreeg een politieke basis. Met het gemeenschappelijk ideaal zgn. Risorgimento (weer opstaan, herbloei) probeerde men de vorming van een Nationale Italiaanse staat te verwezenlijken (1848). Verdi schreef in 1848 zijn opera La Battaglia di Legnano waarbij hij sterk geïnspireerd werd door het Risorgimento. Na zijn opera Louisa Miller-1849, luidde een nieuwe periode in Verdi's ouvre in. Toen schreef hij de drie meest geliefde meesterwerken: Rigoletto-1851, Il Trovatore en La Traviata-1853. Later nog gevolgd door de opera Aïda-1871, waarvoor hij de opdracht kreeg ter gelegenheid van de opening van het Suezkanaal. Volgens Verdi's wens werd deze opera geheel historisch verantwoord uitgevoerd. Verdi verbleef vanaf 1850 met Strepponi vaak in Parijs. Door te schrijven voor de Parijse opera, moest Verdi zich
intensiever met de orkestbegeleiding gaan bezighouden, hetgeen zijn latere werken ten goede kwam. Op politiek terrein
bleef de componist ijveren voor de eenwording van Italië. In 1860 nam Verdi op verzoek van Cavour, een van de voorvechters voor de Italiaanse eenmaking, zitting in de Kamer van Afgevaardigden. Op 17 maart 1861 kon het onafhankelijke Koninkrijk Italië worden uitgeroepen. De eerste koning werd Victor Emanuel II, die al koning was van Sardinië. |